Presentaties en publicaties

In het kader van ‘Presentaties en publicaties’ werk ik mee aan projecten, die betrekking hebben op herdenkingen, het gedenken van oorlogsslachtoffers, de geschiedenis van Nederlands-Indie en van Nederlands Nieuw-Guinea. Hieronder vindt u een overzicht van dergelijke presentaties en publicaties.

Op 3 december organiseert de Jongerenwerkgroep van de Stichting Arjati in samenwerking met het Indisch Herinneringscentrum een Indische Salon – de Kracht van Familieverhalen. In Breda, vertellen vertegenwoordigers van de tweede en derde generatie Indische Nederlanders (in Nederland) verhalen uit hun familiegeschiedenis. Wie ben ik? Waar komen mijn. (groot)ouders eigenlijk vandaan? Wat is hun verhaal, hoe verhoud ik mij tot mijn familiegeschiedenis? En, hoe geef ik voren aan mijn eigen verhaal?

Zondag 3 december, vanaf 13.00 uur in Buurthuis Toma, Wieringenstraat 60, Breda, entree: €5.

Meer informatie op de website van het Indisch Herinneringscentrum.

Op zaterdag 7 oktober 2017 heeft Freebird69 in samenwerking met De Dorstige Types een bijeenkomst georganiseerd voor veteranen. Meer dan zestig belangstellenden luisterden naar presentaties door Carel Banse, Raoul Janssen en Tine Molendijk over respectievelijk ‘Het Thuisfront’, ‘PTSS’ en ‘Moral Injury’.

De presentatie van Carel Banse vindt u hier:

De presentatie van Tine Molendijk vindt u hier:

Een foto-impressie van de bijeenkomst vindt u hier:

Veteranenbijeenkomst Etten-Leur

Toespraak uitgesproken tijdens de Veteranenbijeenkomst van de Gemeente Etten-Leur op 29 september 2017, op uitnodiging van de burgemeester van Etten-Leur, mevrouw Heleen Rijnbach-de Groot.

Burgemeester, veteranen, thuisfront, belangstellenden,

De families van mijn vader en moeder leefden en werkten al meer dan zes generaties in een land, dat eens Nederlands-Indië heette en dat nu niet meer bestaat. Mijn ouders maken deel uit van de laatste generatie, die in Nederlands-Indië is geboren en opgegroeid. Mijn moeder heeft met haar moeder en haar jongere broertjes gedurende de Tweede Wereldoorlog jarenlang in een Jappenkamp moeten zien te overleven. Zij heeft de gewelddadige Bersiap-periode na de capitulatie van Japan bewust meegemaakt. Mijn vader is als militair voor Nederland en voor vrede, vrijheid en rechtvaardigheid ingezet in voormalig Nederlands-Indië, Korea en voormalig Nederlands Nieuw-Guinea.

Mijn vader was dus een veteraan, een van de ‘oude stempel’. In de jaren 1945-1949 zijn 95.000 dienstplichtigen en 25.000 oorlogsvrijwilligers vanuit Nederland naar Nederlands-Indië gestuurd om het Nederlandse gezag over de Indische archipel te herstellen.  6.000 van hen keerden niet weer. Met in totaal meer dan 25.000 Nederlandse en Nederlands-Indische militaire en burgerslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog hebben zij hun laatste rustplaats gevonden op een van de zeven Erevelden op Java, die worden beheerd door de Oorlogsgravenstichting.

Alle veteranen uit die tijd verdienen ons diepste respect en onze waardering. Vaak met gevaar voor eigen leven hebben zij zich in zeer moeilijke omstandigheden ingezet voor taken, die niemand anders wilde doen. Ze wisten niet wat ze konden verwachten en voor velen is het erger gebleken dan ze zich konden voorstellen. In al hun bescheidenheid of uit zelf-bescherming spraken zij – net als de veteranen in het filmpje – jarenlang niet in detail over wat ze hebben meegemaakt. Het zou toch niet juist worden begrepen… En dat is helaas nog steeds actueel. Dat geldt daarnaast evenzeer voor de ‘jongere’ veteranen, die bescheiden wat meer naar achteren hun zitplaatsen hebben gekozen. Wat dat betreft bestaan er tussen deze groepen veteranen – oud en jong – meer overeenkomsten dan verschillen.

Het siert de Gemeente Etten-Leur dat vandaag speciaal aandacht wordt geschonken aan de toewijding, de inzet, het vakmanschap van en de zorg voor alle veteranen. Hartelijk dank daarvoor, mevrouw de Burgemeester.

Dames en heren,

Onmisbaar voor elke militair en van cruciaal belang voor elke veteraan is het thuisfront, dat hem of haar steunt in de consequenties van de keuze om zich in te zetten voor de vrede en vrijheid van anderen, vaak ver van huis. Het thuisfront, dat voor, tijdens en na een uitzending vaak alles uit de kast moet halen om de veteraan adequaat te kunnen blijven ondersteunen Het thuisfront, dat niet altijd alles begrijpt van de vaak extreme ervaringen, die hun partner, vader, moeder, broer of zus heeft opgedaan. Ervaringen, die verstrekkende gevolgen (kunnen) hebben voor de veteraan en voor iedereen die betrokken is bij haar of hem. Dan is het goed om vast te stellen dat er ook aandacht is voor dat thuisfront.  Groeiende steun en bijstand wordt gegeven door het Ministerie van Defensie, het Veteranen-instituut, de Basis en – heel belangrijk – de lokale gemeenschap. Zoals ook vanuit ons eigen Etten-Leur door landelijke communities zoals Freebird69 en VeteranenEnzo wordt gedaan.

Deze noodzakelijke steun voor veteranen en het thuisfront ontbrak voor mijn ouders, die in de jaren vijftig vanuit Nederlands-Indië naar Nederland zijn overgebracht. Evenmin was nazorg beschikbaar toen mijn vader van zijn missies in Korea en Nieuw-Guinea thuiskwam. Terwijl de verschrikkingen van oorlog, geweld en onderdrukking in ons gezin altijd aanwezig waren, werd er nimmer over gesproken.

Lang, te lang, heb ik niet begrepen waarom mijn vader zo afstandelijk was naar ons, zijn kinderen, waarom hij zich moeilijk echt aan ons kon geven, waarom er zo weinig lichamelijk contact was, waarom hij zich vrijwel nooit enthousiast toonde over onze prestaties op school of in de sport, waarom hij zo weinig met ons deelde, waarom hij nooit sprak over wat hij had meegemaakt, waarom hij soms in onbeheerste woede kon losbarsten. Of waarom wij als kinderen altijd stil moesten zijn en hij mij niet leek te zien? Waarom was hij zo ‘onbereikbaar dichtbij’?

Het was toch niet altijd zo geweest? Ik weet nog hoe ik als kleine jongen mijn vader mocht helpen bij het klussen, het schilderen of het tekenen. Dit schild, met de indianenkop van de eenheid, waarbij het Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea was ingedeeld, hebben we samen geschilderd. Dat wil zeggen, ik zat naast mijn artistieke vader aan tafel en mocht zijn penseel in de verf dopen en aan hem aangeven. Vol ontzag zag ik de indianenkop vorm krijgen, alle veertjes van de hoofdtooi met zoveel zorg geschilderd. Toen het schildje klaar was, gaf hij mij het gevoel dat we samen iets moois hadden gecreëerd. Zo dicht bij elkaar zijn we niet vaak meer geweest: het was een bijna magisch moment.

Het verschil was groot als zijn maten, zijn buddy’s van Korea of Nieuw-Guinea op bezoek waren. Dan zag ik een betrokken, bevlogen en enthousiaste man en was ik jaloers op de onderlinge kameraadschap, die ik zag en voelde. De weinige woorden, die zij nodig hadden om elkaar iets duidelijk te maken. De subtiele, voor buitenstaanders nauwelijks waarneembare gebaren, die hun onderlinge solidariteit demonstreerden en die zorg voor elkaar uitdrukten. Dan was ik trots op hem en bewonderde ik de helden, die zich hadden ingezet aan de andere kant van de wereld om vrede en vrijheid te bevorderen voor mensen, die ze niet eens kenden. Hun verhalen en hun achtergronden hebben mij gemotiveerd om ook te dienen en mij, net als mijn vader, in te zetten voor het welzijn van anderen. 35 jaar dienst bij de Koninklijke Luchtmacht in een tijdperk, dat zo veel verschilt van de diensttijd van mijn vader, maar wel met dezelfde opgave: ‘voor een betere wereld voor iedereen’.

Toen ik in 1975 toegelaten werd tot de Koninklijke Militaire Academie, was het mijn moeder die me dat vertelde; mijn vader moet ongetwijfeld trots zijn geweest dat zijn zoon officier zou worden: hij heeft daarover echter niet meer gezegd dan: “Dat is toch mooi…” Die zin herhaalde hij bij de beëdiging als officier, bij elke nieuwe functie, bij elke nieuwe standplaats en bij elke volgende bevordering. Nimmer heb ik de woorden gehoord, die ik zo graag van hem wilde horen. Het maakte dat ik streefde naar perfectie in alles wat ik deed: ik wilde zijn goedkeuring, zijn instemming, zijn waardering. En het vreemde is, dat ik diep vanbinnen natuurlijk wel wist dat hij mijn ontwikkeling volgde, dat hij trots was en dat hij graag meer had willen zeggen dan: “Dat is toch mooi…”. Dertien jaar geleden lag mijn vader op zijn sterfbed, ongeneeslijk ziek. Ik zat naast hem geknield op de grond, mijn arm om hem heen geslagen. Ik vertelde hem alle dingen die ik nog kwijt wilde: hoe zeer ik hem bewonderde, hoe trots ik op hem was en dat ik alles wel begreep. Zoals altijd zei hij niets, maar ik voelde hem ontspannen onder onze zeldzame aanraking. En ik dacht, terwijl de tranen over mijn wangen rolden: “Dit is toch mooi….”. Een week later overleed hij.

Geachte aanwezigen,

Ik begrijp nu beter wat voor levensbepalende ervaringen mijn ouders en velen met hen in die tijd hebben ondergaan. En wat dat heeft betekend voor henzelf en voor het toenmalige thuisfront, waar ik deel van uitmaakte. En dat geldt vandaag de dag ook voor de jongere veteranen en hun thuisfront. Natuurlijk onder andere omstandigheden, maar in de kern eensgelijk.

Gelukkig weet het merendeel van onze veteranen en hun thuisfront goed om te gaan met deze grote uitdagingen. Soms lukt dat echter niet. Dan is veel kracht en doorzettingsvermogen van het thuisfront vereist om met deze levensbepalende ervaringen te kunnen omgaan. Dan kost het vaak veel energie en lenigheid van geest om elke dag opnieuw te kunnen genieten van hetgeen u en uw veteraan wordt aangeboden. Op plekken zoals de facebook pagina van Freebird69 worden uw thuisfront verhalen doorverteld en gedeeld. Uw ervaringen worden het best begrepen en gevoeld door hen, die het zelf hebben meegemaakt. Niets is immers sterker dan uw eigen woorden en uw eigen emoties geuit in een veilig aanvoelende omgeving.

Ik zou wensen dat er hier in Etten-Leur en omgeving een fysieke plek zou zijn waar veteranen en hun thuisfront kunnen samen-komen om hun ervaringen in persoon te delen, elkaar te steunen en (weer) te leren genieten van alles, dat het leven biedt. En waar belangstellenden begrip kunnen opdoen voor de nijpende situaties waar veteranen en hun thuisfront ongewild in terecht kunnen komen. En waar veteraan en thuisfront zich erken en gesteund weten door de Etten-Leurse gemeenschap.

Ik hoop dat de kinderen van onze jongere veteranen, niet – net als ik – een halve generatie nodig hebben, om te begrijpen wat hun vaders en moeders hebben meegemaakt. Of om te kunnen zien en voelen wat – vaak uit bittere noodzaak – verborgen blijft en soms leidt tot onbegrijpelijk of onvoorspelbaar gedrag. Laten we daarom met zijn allen meer belangstelling, begrip en steun tonen voor die veteraan, die naast ons woont, en voor diens thuisfront.

Veteraan en thuisfront, onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vroeger, nu en in de toekomst. Samen voorwaarts!

Net voor de herdenking van de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 is de trailer gepubliceerd voor de documentaire ‘Het grote zwijgen over de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indie’, die in oktober 2017 gereed zal zijn. Meer daarover op de website van Ereveld Vol Leven.

 

Inhuldiging kruisen Nederlands-Indie

Uitgesproken bij de inhuldiging van de zeven kruisen op Ereveld Loenen op 1 mei 2017

Dames en heren,

Mijn vader was veteraan. Carel Anton Banse: Indië-veteraan, Korea-veteraan en Nieuw-Guinea-veteraan, geboren in 1929. Mijn vader heeft zijn ouders maar kort mogen kennen: toen hij 5 jaar was, stierf zijn vader; zijn moeder twee jaar later. Zijn broers Edward en Jacob kwamen in 1944 op zee om tijdens een transport naar Japan. Zijn enige zus Theresia overleed in 1951: pa was toen pas 21 en had zijn meest dierbaren verloren. De Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië eiste een hoge tol. Mijn vader vond een tweede familie bij zijn Nederlandse en Molukse wapenbroeders in het Koninklijk Nederlandsch Indische Leger en later de Koninklijke Landmacht. Hij heeft zijn hele werkzame leven gestreden tegen onrecht en voor vrede, vrijheid en rechtvaardigheid.

Mijn moeder, Mathilde Cornelia Verstift, heeft met haar moeder en haar broertjes in Japanse interneringskampen moeten zien te overleven. Eerst gedwongen geïnterneerd, en na de capitulatie van Japan vrijwillig als bescherming tegen opstandelingen gedurende de Bersiap periode.

Haar zussen, mijn twee tantes,  bleven weliswaar buiten de kampen, maar ook zij hadden het niet gemakkelijk om te overleven. Mijn opa Verstift werd gemobiliseerd, krijgsgevangen gemaakt en naar Japan afgevoerd om onder erbarmelijke omstandigheden en onder een wreed bewind te werken in de loodmijnen. In december vorig jaar had ik de eer het hem postuum toegekende Oorlogsmobilisatiekruis uit te mogen reiken aan zijn zoon George van inmiddels 82 jaar. Ere, wie ere toekomt.

Opa zag zijn geliefde gezin nimmer meer. Oma heeft nooit meer over hem gesproken….. Hen allen is groot onrecht aangedaan: ze zijn hun vrijheid kwijtgeraakt, hebben fysieke en psychische pijn geleden. Veel andere familieleden zijn van hun leven beroofd: de vrede is heel kostbaar gebleken.

Het verleden van mijn familie in Nederlands-Indië staat niet op zich. Naar schatting hebben ongeveer 2 miljoen Nederlanders hun roots in Nederlands-Indië of zijn daarmee verbonden. Velen van u zullen zich daarom in delen van die verhalen herkennen. Aan de andere kant blijkt dat velen niet bekend zijn met dit gedeelte van de vaderlandse geschiedenis, dat in veel opzichten nog steeds beladen is.

Vaak wordt gezegd dat de Nederlands-Indische gemeenschap, die in de jaren 40/50 en 60 naar Nederland kwam, zo lang, misschien te lang, heeft gezwegen over wat hen is overkomen. Ik denk dat het genuanceerder ligt: waar niet wordt geluisterd, wordt vaak gezwegen.

Juist door over deze periode van de vaderlandse geschiedenis te blijven praten, wordt terecht erkenning gegeven aan hen, die het hebben meegemaakt.  Ook worden we ons daardoor weer en meer bewust van de diepere waarde van vrede, vrijheid en rechtvaardigheid. Door ons kwetsbaar op te stellen als verteller en als luisteraar herdenken we het verleden en geven we onze oorlogsslachtoffers, alle oorlogsslachtoffers, weer een gezicht. En dat is wat we vandaag met zijn allen doen hier op Ereveld Loenen.

Dames en heren,

In de jaren 40/50 en 60 hebben zo’n 300.000 Nederlanders, Indische Nederlanders, Molukkers en andere getrouwe bevolkingsgroepen hun moederland moeten verlaten. Zij hebben veelal per boot de oversteek naar Nederland gemaakt. Niet alleen de banden met hun (geboorte)land werden daardoor fysiek verbroken maar ook die met hen, die als gevolg van de oorlogshandelingen in verschillende periodes na 1940 het leven lieten en voor wie Nederlands-Indië altijd Nederlands-Indië is gebleven.  Bijna 25.000 Nederlandse en Nederlands-Indische slachtoffers hebben hun laatste rustplaats gevonden op de zeven Erevelden op Java in het huidige Indonesië, die met zorg en grote toewijding worden beheerd door de Oorlogsgravenstichting.

De kruisen, die u hier ziet, zijn gemaakt in Indonesië door medewerkers van de Oorlogsgravenstichting en hebben dezelfde uitvoering als die op de Erevelden daar. Ze hebben de reis van Indonesië naar Nederland per boot gemaakt, zoals onze grootouders, ouders en velen van u. De opschriften geven de namen van de zeven Erevelden in Indonesië. Ik spreek ze met gevoelens van respect en eerbied uit:

Ancol

Candi

Kalibanteng

Kembang Kuning

Leuwigajah

Menteng Pulo

Pandu

De kruisen hebben grote symbolische waarde: ze representeren de verbroken, maar toch altijd aanwezige, verbinding met de dierbaren, die in Nederlands-Indische bodem zijn achtergebleven. Ze verbinden Ereveld Loenen met de zeven Erevelden in Indonesië. Ook wordt er een tastbare relatie gelegd tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog in het Europese gedeelte van het Koninkrijk der Nederlanden op 5 mei 1945 en het einde van de Tweede Wereldoorlog in het Aziatische gedeelte van het Koninkrijk, Nederlands-Indië, op 15 augustus 1945.

De kruisen symboliseren zo de verbondenheid van alle oorlogsslachtoffers. Er kan immers geen sprake zijn van een verschillende weging van het leed, het verdriet en de pijn van hen, die zijn geraakt door welke oorlogshandelingen dan ook. Daarnaast herinneren de kruisen ons aan de prijs van vrede, vrijheid en rechtvaardigheid en aan de inzet van zovelen, die zich toen en nu daarvoor met grote toewijding en betrokkenheid inzetten en hebben ingezet.

Maar de kruisen doen meer. Gisteren hebben mijn broer Jos – die nu achter het kruis van Menteng Pulo staat, waar onze opa rust – mogen ervaren hoe de kruisen ons in ons hart en in onze ziel raken. Dat de verbinding met onze vader en met hem met de hele Indische geschiedenis zo tastbaar dichtbij zijn. Niet ‘onbereikbaar dichtbij’, zoals ik het vaak gevoeld heb, maar ‘bereikbaar dichtbij’.

Door middel van een familieopstelling hebben we meer inzicht gekregen in de innerlijke strijd van pa Banse. Door over sommige dingen en voorvallen NIET te praten, heeft hij ons willen behoeden voor het verdriet en de pijn, die hij en met hem zovelen onder ons hebben moeten ervaren. Zij hebben die last zo lang voor ons gedragen, met de beste bedoelingen. En het heeft gewerkt: voor hem om het draaglijk te maken en voor ons omdat we weerbaar zij n geworden. Maar het heeft ook een negatieve kant gehad: voor hem en voor ons. Pa was bereid die prijs te betalen en Jos en ik hebben gisteren – in een stralende zon, bij deze mooie, witte kruisen – begrepen wat het hem deed. En wat het met ons heeft gedaan.

Daarom, dames en heren, roepen de kruisen ons ook op om in het hier en nu verantwoordelijkheid te nemen voor de vrede, vrijheid en rechtvaardigheid, waarvoor zij – op wiens schouders wij nu staan – zo hard hebben gestreden. We zijn het hen verplicht om na te gaan wat we zelf doen om vrede, vrijheid en rechtvaardigheid voor anderen in onze eigen omgeving te bevorderen.

Dat is de reden om te blijven herdenken, dat is de reden om te blijven vertellen en dat is de reden om te blijven luisteren.

“Opdat zij met eere mogen rusten”

Grafisch Lyceum Rotterdam

In het kader van de opleiding journalistiek is een presentatie gegeven over de geschiedenis van Nederlands-Indie en de impact, die de persoonlijke ervaringen van (groot)ouders binnen het Nederlands-Indische gezinnen heeft (gehad). Mevrouw Mieke Engelberts heeft verteld over haar tijd in het Jappenkamp. De gebruikte slides kunt u hieronder zien.

Uitreiking Mobilisatie-Oorlogskruis

Uitgesproken bij de postume uitreiking van het Mobilisatie-Oorlogskruis aan A.R.G.E. Verstift op 9 december 2016

WELKOM EN INTRODUCTIE

Oom Os, tante Bets, familie, veteranen,

Hartelijk welkom bij deze bijeenkomst ter gelegenheid van de uitreiking van het Mobilisatie Oorlogskruis aan wijlen Soldaat der Infanterie van de Landstorm van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger, de heer Adolphe Richard George Emile Verstift, vader van o.a. Oom Os en van mijn moeder Mathilde Cornelia, Tilly, en onze grootvader en overgrootvader. Ik zal hem verder respectvol opa Verstift noemen.

Er is ook een team aanwezig van het project ‘Ereveld vol Leven’ van de Oorlogsgravenstichting. Op 1 mei 2017 wordt op het Ereveld in Loenen een speciale herdenking georganiseerd, waarbij ook aandacht wordt besteed aan Nederlands-Indië. Het team wil graag een aantal interviews afnemen, uiteraard voor zover u daartoe bereid bent. Ereveld vol Leven geeft oorlogsslachtoffers een gezicht. En dat is wat we vanmiddag ook zullen doen: we geven opa Verstift een gezicht.

Voor een goed begrip van de omstandigheden waaronder opa Verstift heeft gediend en in welke cultuur hij opgroeide, is het goed om bij deze gelegenheid nader in te gaan op de Nederlands-Indische geschiedenis, die ook ons – de jongere generaties – in meer of mindere mate heeft beïnvloed. Tegelijkertijd is er weinig bekend over die periode, die voor onze ouders en grootouders zo levensbepalend is geweest. Voor hen hebben de datum van 15 augustus 1945 en het Indisch Monument in Den Haag een diepere betekenis, die zoveel jaar later nog steeds herinnert aan de diepe krassen in hun ziel, de veelal traumatische ervaringen en aan een onbestemd en heftig verlangen naar de Gordel van Smaragd, dat helaas niet vervuld kon worden.

Ik zal eerst kort ingaan op de historie van Nederlands-Indië. en vervolgens de levensloop van opa Verstift proberen te schetsen. Dan volgt de officiële uitreiking van de versierselen aan Oom Os, gevolgd door een minuut stilte. Jos zal als afsluiting een gedicht voorlezen. Daarna hebben we genoeg tijd om herinneringen op te halen en gezamenlijk te eten, zoals het indo’s betaamt.

NEDERLANDS-INDIE Koloniaal tijdperk

Vanaf de 16e eeuw is de Hollandse aanwezigheid in de archipel goed gedocumenteerd. Bekend is natuurlijk de rol van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die via handelsverdragen met lokale vorsten het gebied steeds verder uitbreidde. Na het faillissement van de VOC gingen de bezittingen en eigendomsrechten over op de Nederlandse Staat en vanaf 19 augustus 1816 wordt de naam Nederlands-Indië. Gebruikt voor dit overzeese gebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

Het in 1819 opgerichte Koninklijke Nederlandsch-Indische Leger (KNIL) was vooral gericht op het bewaren van de interne vrede, niet zo zeer op de verdediging tegen andere landen. Dat wil niet zeggen dat geen veldslagen werden geleverd, getuige de Java-oorlog (1825-1830) en de Atjeh-oorlog 1873-1914).

300 jaar Hollandse aanwezigheid als koloniale heersers heeft geleid tot een feodale maatschappij met een duidelijke tweedeling langs etnische lijnen: de Hollanders en de inlanders (nu zouden we hen wellicht politiek-correct als autochtone bewoners van de archipel beschouwen).

Door liaisons met inlandse vrouwen (in 1860 woonden er slechts zo’n 330 in Nederland geboren vrouwen) werden kinderen geboren met gemengd Nederlands/inlands bloed: de Indo-Europeanen. Dat wil zeggen indien de kinderen door de Hollandse vader werden erkend en daardoor werden opgenomen in de registers voor Europeanen. Indien dat niet het geval was, dan werden moeder en kind veelal teruggestuurd naar de kampongs. Soms werd alleen de moeder weggestuurd en zag zij haar kind nooit meer terug.

De houding van de Indo-Europeanen ten opzichte van de blanke Hollanders (‘totoks’) is ambivalent: enerzijds vol ontzag, anderzijds doortrokken van wrok. Ten opzichte van de inlanders is er ontkenning, soms zelfs schaamte en gevoelens van superioriteit. De voorkeur lag bij de Hollandse bovenlaag, mede vanwege prestige en status. Natuurlijk zijn deze bevindingen gegeneraliseerd; meer over dit onderwerp is te lezen in ‘Indisch is een gevoel’ van onderzoekster Marlene de Vries.

Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog kwam alles anders te liggen. Op 7 december 1941 voerde Japan een verrassingsaanval uit op de Amerikaanse Marinebasis op Pearl Harbor. Als een van de eerste landen verklaarde Nederland de volgende dag de oorlog aan Japan en werd het KNIL in zijn geheel gemobiliseerd, inclusief de Stadswacht en de Landstorm.

Op 1 maart 1942 landen Japanse troepen op Java en een week later capituleerde de Indische regering. De Nederlandse regering werd ontbonden en de bestuursposten werden ingenomen door Japanners en Indonesi.rs. Nederlanders werden van heersers ondergeschikten: militairen en burgers (Nederlanders en indo’s) werden geïnterneerd in Jappenkampen. In die kampen was het vooral geboden om ‘onzichtbaar’ te zijn, zodat je zo min mogelijk kans liep te worden blootgesteld aan de onberekenbare wreedheden van de Jap. Indo’s konden zich van internering vrijwaren door te wijzen op hun Indonesische of Duitse afkomst, althans op Java.

Bersiap periode

Na de atoombommen op de Japanse steden Hiroshima (6 augustus 1945) en Nagasaki (9 augustus 1945) capituleerde Japan op 15 augustus 1945. Daarmee kwam een einde aan de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost Azië.. Nederland, herstellend van de gevolgen van de oorlog in het vaderland, was nog niet in staat om de macht in Nederlands-Indië. weer over te nemen. In het ontstane machtsvacuüm namen Indonesische jongeren (‘pemoeda’s’) het recht in eigen hand en vielen iedereen, die zij als on-Indonesisch beschouwden, aan met hakmessen en bamboesperen. In deze Bersiap periode vonden duizenden Nederlanders, Indo-Europeanen en Chinezen een gruwelijke dood. De meeste geïnterneerden bleven voor hun eigen veiligheid daarom in de kampen (soms keerden zij daarin terug), beschermd door Britten en – hoe cynisch – door Japanners. Voor hen was er nog geen vrijheid.

Indonesië onafhankelijk

Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta eenzijdig de Republik Indonesia uit. Nederland erkende de Republik niet. Er werden zelfs twee zogenoemde Politionele Acties gevoerd om het Nederlandse gezag te herstellen. Mede onder druk van de internationale gemeenschap heeft Koningin Juliana uiteindelijk op 27 december 1949 de soevereiniteit van Indonesië. erkend: ‘Niet langer staan we tegenover elkaar, maar naast elkaar…’

Tussen 1945 en 1965 hebben ca. 300.000 Europeanen de Indische archipel verlaten, ongeveer 60% (200.000) daarvan zijn indo’s. Zij zijn gerepatrieerd naar Nederland. De term repatriëring is eigenlijk onjuist gekozen voor het overgrote deel van hen: de meeste indo’s (zoals ook veel Hollanders) waren nog nooit in Nederland geweest en hadden er geen familie. Zuiver gezien waren indo’s dus ontheemden, die hun geliefde vaderland om politieke redenen moesten verlaten.

Overigens hadden zij wel een keuze: Indonesiër worden inclusief het aannemen van een Indonesische naam (hetgeen de voorkeur had van de Nederlandse regering), of Nederlander blijven met een gedwongen vertrek naar Nederland tot gevolg. Als het Nederlanderschap of de Nederlands komaf niet kon worden aangetoond (in de oorlog zijn veel papieren verloren gegaan), werd men stateloos en was men veroordeeld tot een armzalig bestaan: in de steek gelaten door Nederland en niet erkend door Indonesië. (zie de recente documentaire van Max Maakt Mogelijk).

In Nederland

De overtocht naar Nederland werd alleen onder strikte voorwaarden door de Nederlandse Staat vergoed. Men werd opgevangen in pensions en kreeg kleding of een voorschot om kleding te kopen. Als – soms na jaren in pensions te hebben gewoond – een zelfstandige woonruimte werd toegewezen, kregen onze ouders en grootouders voorschotten voor inrichting en levensonderhoud. Zodra men werk had gevonden, moest 60% (!) van het gezinsinkomen worden afgedragen om de voorschonen af te lossen. Hier ziet u een afrekening van oma Verstift uit 1956: van haar schamele pensioen van 17 gulden per maand wordt maar liefst 7 gulden ingehouden als aflossing. De indo’s voelden zich daardoor zeer bezwaard en als tweederangs burger in hun nieuwe vaderland (zie het boek ‘Opgevangen in andijvielucht’ van Griselda Molemans).

Met nog de oude koloniale verhoudingen in het achterhoofd spraken onze ouders en grootouders niet meer over Indië.: we woonden nu in Nederland en moesten hier een toekomst opbouwen. En om vooruit te komen in de Nederlandse maatschappij waren diploma’s pure noodzaak. Vandaar dat er op werd gehamerd dat de tweede (en soms ook de derde generatie) toch vooral hard moest studeren, goed moesten luisteren en presteren, maar vooral niet mocht opvallen. Een ambivalente boodschap, die veelal voor de nodige problemen zorgde. Want hoe moest je onzichtbaar zijn, als je het enige indo-gezin bent in een klein dorp, of als je je in sporten onderscheidt, als je een andere huidskleur hebt, en je je meer en meer bewust werd van die ongrijpbare, Indische cultuur? Die cultuur gebood respect voor ouderen, ontzag voor meerderen, maar ook altijd maar mee-eten, onaangekondigd op bezoek kunnen komen en wat al niet meer. Een cultuur gebaseerd op zoveel jaren leven en liefhebben, wonen en werken in een land, dat niet meer bestaat: Nederlands-Indië.

Al met al is de integratie van zoveel indo’s in de Nederlandse maatschappij vrij geruisloos gegaan. Aan sommigen van ons kun je de Indische komaf niet eens meer zien en dat zal met de komende generaties steeds moeilijker worden. Wel is er een beweging dat de derde en de vierde generatie meer willen weten over de Indische cultuur. Daarbij willen ze de vrijheid hebben om zelf te bepalen in hoeverre ze de Indische cultuur willen opnemen in hun hedendaagse manier van leven. Onze ouders en grootouders leven nog steeds met het onvervulde verlangen naar de Gordel van Smaragd. Velen hopen nog steeds op een Weerzien met Indië.’.

 

A.R.G.E. VERSTIFT

Dames en heren,

Na deze algemene beschrijving van de ontwikkelingen, die ons heeft gevoerd van Nederlands-Indië. via de Republik Indonesia naar Nederland, is het tijd om aandacht te besteden aan opa Verstift en diens familie. Hoe heeft de geschiedenis hun levensloop beïnvloed? Laten we daarvoor eerst kijken naar wat de stamboom ons vertelt en vervolgens meer persoonlijk hoe het opa Verstift is vergaan.

De stamboom, die achterhaald kon worden, in directe lijn begint bij Jan Willem Verstift, die waarschijnlijk afkomstig is uit Friesland en in 1808 in Geertruidenberg overlijdt. Zijn zoon Johannes Wilhelmus vertrekt naar Nederlands-Indië., waar hij samenleeft met een inlandse vrouw van Sulawesi. Samen krijgen ze een zoon: Johannes Hermanus Wilhelmus, de eerste indo dus in deze familietak. Hier moet een keuze gemaakt worden zoals eerder besproken. De Hollandse vader erkent zijn kind, die vervolgens wordt opgenomen in de registers voor Europeanen. Overigens leeft J.W. later nog samen met een Javaanse en daarna met een Hollandse vrouw; met ieder van hen krijgt hij een zoon. Johannes Hermanus Wilhelmus trouwt met Johanna Cornelia Kuhr, overigens zelf ook een Johanna Cornelia Kuhr, overigens zelf ook een Indo- Europeaan met Duits/inlands bloed. Hun zoon Henri Ferdinand Edmond is de vader van opa Verstift. Henri krijgt met Emma Maria Tromp zes kinderen: drie jongens: Charles, Adolphe en Willem en drie meisjes, de tweeling Evi en Helene en de jongste Ilse.

Bij het uitzoeken van de levensloop van opa Verstift is gebleken dat zijn jongere broer Willem Frederik Benjamin destijds ook is gemobiliseerd en ingelijfd bij de Koninklijke Marine als telegrafist. Vermoedelijk als represaillemaatregel voor het onbruikbaar maken van een korte golf-peilstation en een seinpost is Willem op 1 april 1942 op Timor door de Jap terechtgesteld. Zijn laatste rustplaats is helaas niet bekend. Het is evenmin bekend of opa Verstift op de hoogte was van het overlijden van zijn 32-jarige broer. Ik zal straks Oom George verzoeken de aanvraag voor het Mobilisatie-Oorlogskruis voor zijn Oom Willem Frederik te ondertekenen.

Opa trouwt op 27 april 1925 met oma, Tjakoline Elisabeth Beetz, opa is dan 30 jaar oud, oma 25 jaar. Zij krijgen acht kinderen: Jetty, Daisy, Bob, Tilly, Fred, Frans, George, Bert. Er volgen meerdere kleinkinderen, die opa evenwel nooit heeft kunnen zien.

Dit is de enige foto van opa Verstift. Opa was juridisch opgeleid en werkte als commies-A (hogere functie) bij de Weeskamer in het stadhuis van Batavia. De taken van de Weeskamer waren:

  • waarnemen van de (toeziend) voogdij
  • uitoefenen van curatele (als iemand
  • handelingsonbekwaam was/werd)
  • beheren van goederen van afwezigen
  • registreren en openen van testamenten
  • beheren van onbeheerde nalatenschappen

Het is een belangrijke overheidsfunctie met veel verantwoordelijkheid en bij de uitvoering van de taken gaat het om aanzienlijke bedragen. Als de algehele mobilisatie wordt afgekondigd, wordt opa Verstift ingelijfd bij de Landstorm van het KNIL. Onbekend is gebleven waar hij precies dienst deed als soldaat infanterist. Op 10 maart 1942 wordt hij op Java, waarschijnlijk in de buurt van Surabaya, door Japankrijgsgevangen gemaakt. Hij is dan 47 jaar, oma 42, de kinderen zijn tussen de 15 (Daisy) en 6 jaar oud (Bert). Oom Os is dan 7 jaar. Oma heeft – ondanks haar Duitse achternaam Beetz – vrijwillig voor internering gekozen voor de bescherming van de kinderen en zichzelf. Het is onduidelijk hoelang opa en oma elkaar al niet meer hebben gezien op die bewuste dag van 10 maart 1942.

Via Singapore wordt opa met de Kamakura Maru 1 (een passagiersschip) met 2.212 andere krijgsgevangenen afgevoerd naar Nagasaki. De reis duurt acht dagen. Er is onvoldoende eten beschikbaar en de krijgsgevangenen verblijven voor het merendeel zonder verdere verzorging of beschutting aan dek. Van Nagasaki gaat het transport per trein verder naar Osaka. Van Osaka gaat het per trein, kabelbaan en te voet verder naar Kamioka Branch Camp, in de bergen op 1.600 meter hoogte. Daar bevindt zich een groot complex van elektrische centrales en fabrieken voor de oorlogsindustrie. De krijgsgevangenen worden te werk gesteld in de loodmijnen.

De omstandigheden in het kamp zijn zeer slecht; er is weinig voedsel, de winters met strenge vorst en veel sneeuw, de zomers heet. Beschermende kleding is niet beschikbaar en schoenen zijn schaars. Het Japanse regime is onberekenbaar, ruw en wreed. Op onnozele ‘vergrijpen’ staan zware straffen, waaronder langdurige, eenzame opsluiting in een buitenkooi zonder kleding. In het kamp zijn 63 Nederlanders, 15 Amerikanen en 2 Britten omgekomen. Dit is de interneringskaart van opa, die nauwgezet is bijgehouden door de Japanse kampleiding.

Voor een indruk van de leefomstandigheden in een dergelijk kamp kan ik u de film ‘Unbroken’ van Angelina Jolie aanraden. Het gaat om een krijgsgevangene, die – met wraakgevoelens – op zoek gaat naar zijn Japanse bewaker, die hem heeft gemarteld. Als hij hem vindt, realiseert hij zich dat hij alleen door vergeving verlost kan worden van de haat, de wroeging en de wraakgevoelens. Er ontstaat vervolgens een hechte vriendschap tussen de twee.

In het Dagblad van het Noorden van 3 juli 1943 staat voor het eerst vermeld dat A.R.G.E. Verstift krijgsgevangen is gemaakt en overgebracht naar Osaka; volgens informatie van het Nederlandsche Roode Kruis in Den Haag kon de familie nog niet geïnformeerd worden.

Opa is op 18 maart 1944 ernstig gewond geraakt bij een mijnongeval. De volgende dag, 19 maart 1944, is hij aan zijn verwondingen bezweken, zonder zijn geliefde gezin weer te zien. Het is waarschijnlijk dat oma pas in de loop van 1945, nog in het Jappenkamp, via-via van zijn overlijden op de hoogte is gebracht. Na de oorlog zijn de stoffelijke resten van opa op 20 oktober 1945 overgedragen aan de Amerikaanse troepen in Japan. Zijn urn is vervolgens bijgezet op het Nederlands Ereveld Menteng Pulo in Jakarta.

Het is al met al een bewogen geschiedenis, die zijn sporen heeft nagelaten bij oma, de kinderen en misschien ook wel bij ons, de kleinkinderen. Maar het is ook een onbekende geschiedenis, want nimmer werd er over gesproken. Niet over het verdriet, niet over de ontberingen, niet over het gemis, niet over de pijn en zeker niet over het grote verlangen. Maar ook niet over de voor velen meer dan 70 jaren aanhoudende wroeging en wrok over het leed dat hen destijds is aangedaan.

Het vraagt van ons, de jongere generaties inlevingsvermogen, begrip en respect. Opdat niemand meer een dergelijke geschiedenis hoeft mee te maken. Laten we ons er bewust van zijn dat wij in alle vrijheid mogen doen en zeggen wat we willen, waarbij we gepast rekening houden met de gevoelens van anderen. Het is aan ons om eventuele wrok en wroeging in ons eigen leven te laten varen door te vergeven. Dat kunnen en mogen wij dankzij velen, die zich voor die vrijheid hebben ingezet, zoals de veteranen in de zaal.

Daarom gedenken en eren wij vandaag onze opa Verstift en alle andere oorlogsslachtoffers. Daarom ook herdenken we jaarlijks, op 4 en 5 mei, en op 15 augustus.

UITREIKING MOBILISATIE-OORLOGSKRUIS

Dames en heren,

Ik ga nu over tot de officiële uitreiking van het Mobilisatie-Oorlogskruis. Deze onderscheiding is ingesteld bij Koninklijk Besluit van 11 oktober 1948 en hernieuwd vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 1 oktober 1962.

Dat laatste KB zegt dat het Kruis alsnog kan worden toegekend aan “oud-militairen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden, die behoord hebben tot de Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht, het voormalig Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger ….., die in werkelijke dienst zijn geweest in de periode van 6 april 1939 tot 3 september 1945”.

De medaille bestaat uit een vierarmig kruis, waarvan de armen worden gevormd door facetvormig geslepen zwaardpunten die naar buiten zijn gericht. Bij uitstek het symbool van de verdediging tegen een vijand van buiten. Tussen de armen van het kruis bevinden zich diagonaalsgewijs gekruist twee stormdolken met de punten naar boven gericht. De stormdolk was een steekwapen dat in de Nederlandse mobilisatie vanaf 1939 tot aan de capitulatie van Nederlands- Indië. door vrijwel alle Nederlandse militairen werd gedragen. Daarmee is de stormdolk een symbool geworden voor deze periode uit onze krijgsgeschiedenis. Op de punten van de stormdolken rust een helm, omgeven door een lauwertak. Symbool voor het eerbewijs aan de militair die heeft gestreden. Als komende vanuit het hart van het kruis, bevindt zich tussen de kruisarmen een cirkelvormige uitstraling. Aan de achterzijde van die uitstraling is de tekst opgenomen “Den Vaderlant ghetrouwe” uit het eerste couplet van ons volkslied.

De medaille is bevestigd aan een lint waarvan de hoofdkleur paars is: in de liturgie is de symbolische betekenis van die kleur Rouw. Dit symboliseert de donkere periode van oorlog en bezetting. In het midden van het lint is een baan opgenomen in de kleur Oranje: Dit symboliseert de trouw aan en de verbondenheid met ons koningshuis.

In de aanbiedingsbrief van de Minister van Defensie staat geschreven dat het Mobilisatie- Oorlogskruis aan opa Verstift is toegekend als blijk van respect en waardering voor zijn inzet onder buitengewoon moeilijke omstandigheden.

Oom Os, mag ik u verzoeken? * Uitreiking kruis en oorkonde

Dames en heren, mag ik u verzoeken op te staan? Willen de veteranen de ere-groet brengen?

AFSLUITING

Dames en heren,
Dank u wel. U kunt weer gaan zitten.
Mijn broer Jos Banse zal ter afsluiting een gedicht voordragen.

Hiermee komt een einde aan de officiële uitreiking van het Oorlogs-Mobilisatiekruis aan A.R.G.E. Verstift. Het is bijzonder dat meer dan zeventig jaar na opa’s overlijden zijn familie bijeen is gekomen om hem te eren. Ik vond het als kleinzoon een voorrecht en een eer om hem op deze manier te mogen gedenken. Ik dank u voor uw belangstelling en uw aanwezigheid.

Naar aanleiding van het boek Onbereikbaar Dichtbij heeft Yvette Kopijn, onderzoekster en oral history trainer, een van de initiatiefnemers, Carel Banse, geïnterviewd in opdracht van het Indisch maandblad Moesson.

Het artikel is gepubliceerd in de april 2016 uitgave van Moesson. Het bevat originele foto’s van Carel Banse sr. in zijn tijd in Korea. Deze beelden zijn bewerkt door Glenn Siegers, die ook tekende voor veel foto’s in het boek. Download hier het artikel.

 

Presentatie boek ‘Onbereikbaar Dichtbij’

Uitgesproken bij de presentatie van het eerste exemplaar van het boek Onbereikbaar Dichtbij op 20 september 2016

Dames en heren,

Mijn vader was veteraan. Carel Anton Banse: Indië-veteraan, Korea-veteraan en Nieuw Guinea-veteraan. Toen ik jong was, was hij mijn held. Ik keek naar hem op, in zijn mooie uniform, waarin hij sterk en krachtig de wereld tegemoet trad, strijdend voor het recht, de vrede en de vrijheid van anderen. Waar hij ging, week alle kwaad. Soms was hij fysiek ver weg, maar in gedachten toch altijd dichtbij. En ik verbeeldde me dat ik op hem leek…..

Eenmaal thuis, waren er de uitstapjes in onze Opel Kadett, die hij liefkozend ‘Dikke Berta’ noemde. Naar de Warande in Bergen op Zoom, mosselen rapen in Rilland Bath, picknicken bij de bunkers bij de oude Moerdijkbrug, naar familie en vrienden. Pa was onderhoudend, gezellig, luchtig, vrolijk. En artistiek: hij schilderde, tekende, fotografeerde en drukte af, maakte vliegers en wat al niet meer. En als ik mocht meehelpen, waren we één, zo voelde het: in alle opzichten dichtbij….

Ik ben ook verongelijkt geweest, toen hij later nooit naar het voetballen kwam kijken. Als hij in het weekend wilde uitslapen en de kinderen stil moesten zijn van mama. Toen hij weinig geïnteresseerd leek in alles wat mij bezig hield. Als hij geen keuze wilde of kon maken. Als hij geen discussie duldde en zich terug trok. Ik was verward: hij was fysiek dichtbij, maar toch niet echt bereikbaar. Ik nam me voor het anders te doen…….

Hij werd ernstig ziek. Ik was in het buitenland, maar bezocht hem bijna om de week, op de terugweg naar huis. Heb hem nog kunnen zeggen hoeveel ik van hem houd, hoezeer ik hem bewonder en dat ik trots ben op hem. We waren een onuitwisbaar moment, dat nu een eeuwigheid lijkt, dichter bij elkaar dan ooit.

In 2004 overleed hij, nog geen 75 jaar oud. Een onherroepelijk afscheid in een volle aula, met zijn Korea-kameraden als erewacht. Ik sprak hem voor de laatste keer toe, in mijn mooiste uniform – voor hem. Zo nabij en zo veraf…..Ik was trots dat ik op hem leek.

Nu zoveel jaren later, ervaringen rijker en zelf grijs aan de slapen. Als ik terug kijk, denk ik vaak: ‘Wat als…..?’ Wat als ik meer geduld gehad zou hebben, wat als ik minder vanuit boosheid had gehandeld, wat als ik toch nog een poging had gewaagd om echt in gesprek te komen, wat als ik geprobeerd had hem beter te begrijpen?……… Onbereikbaar dichtbij. Is hij ‘onbereikbaar dichtbij’ geweest voor mij of ben ik ‘onbereikbaar dichtbij’ geweest voor hem?

Vijfendertig jaar in militaire dienst gediend – net als mijn vader – maar ik ben helaas geen veteraan. Door mijn werk ben ik wel nauw betrokken geraakt bij veteranen. Ik denk daardoor wel enigszins te kunnen inschatten wat veteranen – mannen en vrouwen – kan overkomen. En waarmee hun vrouwen en mannen, hun kinderen, hun gezinnen, hun families geconfronteerd kunnen worden. Dat geldt zowel voor de ‘oudere’ veteranen (van wie er steeds minder zullen zijn) als voor de jongere ‘veteranen’ (van wie er steeds meer zullen zijn).

Daarom ook werk ik graag mee aan initiatieven* om veteranen de maatschappelijke waardering te geven, die zij verdienen. Zij hebben zich elders in de wereld ingezet voor de vrijheid en vrede van anderen. Daarmee hebben zij – net als mijn vader en vele anderen – zich ook ingezet voor onze vrijheid en vrede.

Meer begrip voor veteranen, meer begrip voor hun dierbaren, meer begrip voor elkaar. Verbindingen leggen tussen veteranen onderling en tussen veteranen en jongeren. Ik ben er van overtuigd dat velen daar profijt van kunnen hebben.

Daarom het initiatief voor dit boek met verhalen van Indië-veteranen en Nieuw Guinea-veteranen onder redactie van Wies Groeneveld, opgetekend door studenten van het Grafisch Lyceum Rotterdam, vormgegeven door Franklin de Jezus. En met veelzeggende foto’s door Glenn Siegers van veteranen en studenten, schouder-aan-schouder.

Dit boek is een ‘hormat’ aan mijn vader en aan alle andere veteranen. Ik hoop dat het een bijdrage mag leveren aan onderling begrip. Zodat we er voor elkaar kunnen zijn. Opdat niemand hoeft te denken: ‘Onbereikbaar Dichtbij’.

Herdenken en doorgeven

Uitgesproken tijdens de Herdenking Capitulatie Japan en einde Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost Zie op 15 augustus 2013

Dames en heren, 

We herdenken vandaag de capitulatie van Japan in 1945. Wat betekent dat eigenlijk en wat willen we door deze dag te herdenken aan elkaar doorgeven?
De capitulatie was enerzijds het einde van een periode. Een einde aan de verschrikkingen van oorlog, van verdriet, leed, ontbering, honger, wreedheid, vernedering, van angst en van wantrouwen.

Anderzijds is het een begin van een nieuw leven. Een leven in vrede en vrijheid, al duurde het nog menig jaar voordat het voor de meesten van u ook zo ver was. Velen dragen en ervaren nu nog steeds de diepe krassen op hun ziel, die deze donkere tijd in de Nederlandse geschiedenis, in onze geschiedenis, heeft achtergelaten. Velen kunnen de slaap niet vatten of willen de slaap niet vatten uit angst voor die gevreesde herinneringen, die zich op onberekenbare en onverwachte manier zo indringend kunnen manifesteren. Zoals bij mijn schoonvader, die afgevoerd is geweest naar Japan om dwangarbeid te verrichten en zoals bij hen, die onder erbarmelijke omstandigheden en onder een wreed bewind aan de Birmaspoorlijn hebben moeten werken. Zoals bij u, die het meegemaakt heeft…..

Maar waar ik het hier over heb, dat zijn niet mijn herinneringen, dat zijn niet mijn ervaringen. Ik ben van na de Tweede Wereldoorlog: geboren in 1955, vier hoog achter in de Koornwaardstraat 19D in Overschie, langs de weg naar Den Haag. Mijn vader was militair bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Hij was destijds, in dienst van de Koninklijke Landmacht, als vrijwilliger naar Korea gegaan om in het Nederlands Detachement Verenigde Naties voor de vrede en vrijheid van anderen te vechten. Hij was mijn held. Maar ik snapte toen niet waarom hij ons, en huis en haard kon achterlaten om naar een vreemd land te gaan. Ik begreep ook niet wat dat precies inhield, dat idealisme: ‘vechten voor de vrede en vrijheid van anderen….’
We woonden met uiteindelijk zeven kinderen op die vierkamerflat in Overschie. Oma woonde bij ons in. En als mijn oom Boy, die bij de Koninklijke Marine diende, thuis was, woonde ook hij bij ons. En op een of andere manier paste het allemaal. Oma vertelde ons, de jonge kinderen, vaak verhalen over het Jappenkamp, waar ze met mijn moeder en diens jongere broers een aantal jaren heeft moeten doorbrengen, in een ruimte veel en veel kleiner dan deze grote flat. Het waren spannende verhalen over een soort vakantieoord, waar spelletjes gedaan werden, veel werd gelachen, mensen elkaar hielpen en waar dagelijks gezamenlijk werd gegeten. Zoals Oma het vertelde, wilde je haast dat je er bij geweest was. En toch was er iets in die verhalen, dat ik niet goed kon plaatsen. Ik begreep toen niet wat dat precies was….

Mijn moeder was gastvrij en iedereen kon altijd meeUeten: het bezoek kon en mocht niet weg gaan voordat ze van mama’s kookkunst hadden genoten: ze hadden immers nog een lange weg naar huis voor de boeg. Mammie was een ware kunstenares met eten en een inventieve kokkin, die steeds van niets ‘iets’ kon maken. Met bewondering keek ik toe hoe ze het elke keer voor elkaar kreeg zoveel monden te voeden met zo weinig middelen….
Later, toen mijn Oma een flat voor zichzelf had gekregen in Hoogvliet, ging ik graag bij haar logeren. Dan vertelde zij weer die verhalen en aten we met de hand, samen zittend op de grond in de keuken: rijst met gestoomde kool en zelfgemaakte sambal uit de tjobek. Die rijst mocht ik dan eerst scheppen uit de 25 kilogram zware baal rijst, die ze zorgvuldig in haar met levensmiddelen volgestouwde voorraadkast bewaarde. Waarom er zoveel eten in huis was voor iemand die alleen leefde, met al die winkels in haar nabijheid, ook dat begreep ik niet….

 

Zoveel onbegrip, zoveel onduidelijkheid, zoveel vragen. Toen ik ouder werd, wilde ik meer weten van wat er zich heeft afgespeeld in Indië in die tijd, over de Jappenkampen, over oorlog, over onzekerheid en onderling wantrouwen, over wat voor vreselijke dingen mensen elkaar kunnen aandoen. Ik ben gaan lezen, gesprekken gaan voeren met familieleden en anderen, die het zelf hadden meegemaakt. De verhalen bleven in eerste instantie spannend en kleurrijk. Hoe langer de gesprekken echter duurden en hoe meer ik vroeg, des te emotioneler werd de gesprekspartner en des te donkerder werd het relaas.
Nog steeds kan ik veel dingen niet helemaal bevatten, maar ik weet nu dat mijn schoonvader letterlijk ‘doodsbang’ was als hij in zijn dromen werd achtervolgd en geslagen door zijn bewakers. Ik weet nu waarom mijn vader zich maar moeilijk echt aan ons, zijn kinderen, kon geven: hij had al zoveel geliefden verloren. Mijn moeder had haar recepten opgeschreven in de gaarkeuken van het Jappenkamp, omdat dat nog de enige manier was om zinvol met eten bezig te zijn: in die gaarkeuken probeerde zij van niets ‘iets’ te maken. En mijn oma wilde nooit meer misgrijpen als het om eten ging; zij wilde daarvoor niet meer afhankelijk zijn van anderen.
Hun verhalen en hun achtergronden hebben mij gemotiveerd om mij, net als mijn vader, in te zetten voor de vrede en vrijheid van anderen. 35 jaar dienst bij de Koninklijke Luchtmacht in een tijdperk, dat zo veel verschilt van de diensttijd van mijn vader, maar wel met dezelfde opgave: ‘voor een betere wereld en voor vrede en vrijheid voor iedereen’.

Ik begrijp nu ook beter wat voor verschrikkingen u en velen met u hebben moeten ondergaan. Hoeveel ouders en kinderen die zwarte tijd niet hebben overleefd. Hoeveel kracht en doorzettingsvermogen u moet hebben gehad om het wel te overleven. Maar ook hoeveel kracht en lenigheid van geest het elke dag opnieuw kan vergen om te kunnen genieten van hetgeen u nu wordt aangeboden. Uw verhalen zullen worden doorverteld; uw ervaringen en gevoelens kunnen echter niet worden doorgegeven door hen, die het niet zelf hebben meegemaakt.

In het boekje ‘Een draad van angst’1 dat precies dertig jaar geleden werd gepubliceerd, staat het zo:
‘..Ik vind dat we ons dat toch wel goed voor ogen moeten houden, nu wij als overlevenden, en in meer of mindere mate gezonde overlevenden, ons verhaal nog kunnen vertellen. Ik denk dat wij toch niet in staat zijn om de verschrikkingen die er zijn geweest, in volle omvang weer te geven en over te brengen…’
Degenen, die het allemaal meegemaakt hebben, verdienen onze hoogste waardering en ons diepste respect.

Wij allen mogen ons gelukkig prijzen dat we vandaag, 15 augustus 2013, de capitulatie van Japan kunnen herdenken. Dat we aan elkaar kunnen doorgeven wat het belangrijkste goed is: ‘een betere, liefdevolle wereld, vrede en vrijheid voor een ieder’.

KLIK OP EEN FOTO OM NAAR DE PAGINA VAN UW KEUZE TE GAAN

HET BOEK

HERDENKEN EN GEDENKEN

ERKENNEN EN WAARDEREN

PRESENTATIES EN PUBLICATIES

Share This